Selecteer een pagina

‘Sommigen mensen hadden een grote kelder onder hun huis. Wij niet. Het is vreselijk om in een schuilkelder te moeten zitten. Eerst zat ik met mijn ouders, broers en zusjes in een kelder van mensen bij ons uit de buurt. Maar die werd te klein toen steeds meer van hun familieleden ook een plekje nodig hadden. Familie gaat voor en wij moesten daarom weg. Mijn ouders gingen naar iets anders op zoek. Ik was bang. Ik wist niet waar we terecht zouden komen.

Mijn vader en twee broers zijn toen gaan helpen graven bij andere mensen bij ons in de straat. Toen die kelder klaar was, konden we daarin terecht. We lagen allemaal op een rijtje naast elkaar maar ik paste er niet meer naast. Daarom lag ik aan het voeteneinde. Dat paste precies. Ik hoorde de bommen en het afweergeschut. Ik ben weken en weken zo verschrikkelijk bang geweest.

Schuilkelder

In het begin ging het wel goed maar later zaten we dag en nacht in die schuilkelder en dan is het echt heel moeilijk om met zoveel mensen opgesloten te zitten onder de grond. De kleinere kinderen worden ‘s ochtends heel vroeg wakker en maken dan natuurlijk lawaai. De oude man, de man waar de kelder van was, schold de kinderen uit. ‘Zeg dat ze hun kop houden of ik breek al hun botten’. Elke ochtend zei hij zulke nare dingen. Ik vond het verschrikkelijk, de allerergste plek om te moeten zijn. Maar we konden nergens anders naartoe.

Uiteindelijk gingen we met het hele gezin naar een veilig gebied. Per trein diep in de nacht. In het pikkedonker want er mocht nergens een lamp branden. We moesten ons heel goed aan elkaar vasthouden, bang om elkaar kwijt te raken in het gedrang. De angst dat die trein onderweg beschoten zou worden was groot. De reis duurde eindeloos en mijn zus had mij allemaal kleren over elkaar heen aangetrokken zodat we zoveel mogelijk mee konden nemen.

Eenmaal in veilig gebied werden alle gezinnen verdeeld onder de burgers en boeren die daar woonden. Sommige wilden graag helpen, anderen zaten totaal niet te wachten op een stel oorlogsvluchtelingen in hun huis. Ook al waren we landgenoten. Ze zagen ons liever gaan dan komen en maakten ruzie met de verantwoordelijke ambtenaren omdat ze ons niet mee wilde nemen. Ze wilden ons niet, maar ze moesten. Ik vond dat vreselijk. Gelukkig waren niet alle mensen zo.

Toen de oorlog eindelijk voorbij was, wilde ik er liever niet meer aan denken. We konden naar huis en dat was fijn. Maar. Ik was zo bang. Ik durfde nergens te lopen omdat ik bang was dat er nog mijnen zouden liggen.

Dat ik in mijn leven nog een keer een oorlog in Europa moet meemaken kan ik bijna niet geloven. Ik zie de beelden op televisie. De vluchtende mensen die niks meer hebben. De angst en de wanhoop. Ik weet hoe het is om te moeten schuilen. Om steeds maar weer bommen te horen vallen. Ik weet hoe het is om te moeten vluchten, om bang te zijn’.

‘Weet jij eigenlijk waar hier in het dorp schuilkelders zijn? ‘, vroeg ik vandaag aan mijn moeder.

Ze is nu 88 jaar oud en gaf me bovenstaand antwoord.

 

Meer lezen? klik dan hier: oud zijn